Per studiejaar of per groep van studenten wordt door het departementshoofd, na raadpleging van de departementale studentenraad, ieder academiejaar ten laatste twee maanden na het begin van het academiejaar een lid van het personeel tot ombudsman aangesteld. Na de aanstelling wordt ad valvas gemeld wie de ombudsman is en waar en wanneer hij bereikbaar is.
De ombudsman onderzoekt alle klachten en problemen in verband met de examens en de beraadslaging. Hij treedt op als bemiddelaar tussen de leden van de examencommissie en/of de examinatoren en de studenten en dit in overleg met de voorzitter. Hij is niet bevoegd op het gebied van de inhoudelijke aspecten van de examens. Hij mag in geen geval de studenten voor wie hij als ombudsman optreedt zelf examineren. Hij voert de opdracht enkel uit voor de studenten waarvoor hij aangewezen is. Ten einde de taak naar behoren te kunnen vervullen, heeft de ombudsman, ook voor de beraadslaging van de examencommissie, recht op inlichtingen betreffende de examens. Zo nodig richt hij zich hiervoor tot de voorzitter.
De ombudsman is lid van de examencommissie maar is niet stemgerechtigd voor de groep studenten waarvoor hij optreedt als ombudsman. Hij neemt dan met raadgevende stem aan de beraadslaging deel. De ombudsman mag om een geheime stemming vragen. Ook de ombudsman is tot geheimhouding van de beraadslaging van de examencommissie verplicht.