

Raden en overlegcomités
De raden
- De academische raad
- De departementale raad
- De studentenraad
- Comité voor preventie en bescherming op het werk (CPBW)

De drie raden
1. De academische raad (Overzicht)
Het decreet op de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap zegt hierover wat volgt :
Art.289.
Het hogeschoolbestuur richt een academische raad op.
Het hogeschoolbestuur heeft de plicht de academische raad in te lichten over alle aangelegenheden met betrekking tot de hogeschool.
Art. 290.
De academische raad is samengesteld uit :
- drie achtste vertegenwoordigers van het hogeschoolbestuur;
- drie achtste vertegenwoordigers van het personeel, verkozen door en onder alle personeelsleden van de hogeschool. De kandidaten dienen op het ogenblik van hun verkiezing ten minste twee jaar een betrekking in de hogeschool te hebben bekleed;
- twee achtste vertegenwoordigers van de studenten van de hogeschool, verkozen door en onder de studenten die voltijds zijn ingeschreven in die hogeschool.
Art.291.
Het mandaat van de leden van de academische raad duurt vier academiejaren en is hernieuwbaar. Het mandaat van de vertegenwoordigers van de studenten duurt één academiejaar en is tweemaal hernieuwbaar.
Art.292.
De personeelsleden die deel uitmaken van de academische raad, genieten van de nodige faciliteiten om hun mandaat naar behoren te kunnen vervullen. Zij kunnen voor de daden gesteld in uitoefening van hun mandaat geen tuchtsanctie oplopen.
De studenten die deel uitmaken van de academisch raad genieten van de nodige faciliteiten om hun mandaat naar behoren te kunnen vervullen. Zij mogen op geen enkele wijze nadelen ondervinden of sancties krijgen voor de daden gesteld in de uitoefening van hun mandaat.
Art.293.
Het reglement van de academische raad wordt in consensus opgesteld door het hogeschoolbestuur en de academische raad. Zo er geen consensus wordt bereikt beslist de academische raad.
Dit reglement bepaalt tenminste :
- het aantal vergaderingen met een minimum van drie per jaar;
- de wijze van bijeenroeping;
- de wijze van mededeling van de documenten;
- de wijze van besluitvorming en stemming;
- de wijze waarop het hogeschoolbestuur de beslissingen die het neemt in het kader van de medezeggenschap, meedeelt aan de leden van de academische raad;
- het secretariaat van de academische raad;
- de procedure van verkiezing van de vertegenwoordigers van het personeel en de studenten.
Art.294.
De rechten en bevoegdheden van de academische raad worden als volgt gedefinieerd :
- informatierecht : het recht op informatie;
- adviesbevoegdheid : het op vraag van het hogeschoolbestuur of op eigen initiatief verlenen en opstellen van een advies na bespreking in de academische raad;
- overlegbevoegdheid : het op vraag van het hogeschoolbestuur en zijn gemandateerde(n) of op eigen initiatief nemen van een besluit dat, als het bij consensus wordt genomen, door het hogeschoolbestuur wordt uitgevoerd. Indien geen consensus wordt bereikt, beslist het hogeschoolbestuur. Indien dit besluit echter consequenties inhoudt voor de arbeidsomstandigheden van het personeel, dan dient over dit besluit onderhandeld te worden in het betrokken onderhandelingscomité, vooraleer het door het hogeschoolbestuur kan worden uitgevoerd.
De academische raad kan deze rechten hebben of bevoegdheden uitoefenen door of krachtens het decreet of krachtens een beslissing van het hogeschoolbestuur.
Art.295.
§1. De academische raad heeft een recht op informatie over alle aangelegenheden met betrekking tot de hogeschool.
§2. Op vraag van het hogeschoolbestuur of op eigen initiatief heeft de academische raad ten minste adviesbevoegdheid, voor wat de onderwijskundige aspecten betreft, met betrekking tot :
- verandering van de doelstelling van de hogeschool;
- uitbreiding, inkrimping of beëindiging van de werkzaamheden van de hogeschool of een belangrijk onderdeel ervan;
- bouwprojecten;
- de vaststelling en de wijziging van het beleid inzake interne kwaliteitsbewaking met betrekking tot de onderwijs- en onderzoeksopdracht;
- het onderzoeksbeleid van de hogeschool, het plan tot verwezenlijking van dit beleid en zijn jaarlijkse aanpassingen, waarin hij het beleid van de verschillende departementen coördineert;
- de programmatie van de hogeschool.
Indien de academische raad een unaniem advies uitbrengt, kan het hogeschoolbestuur hiervan enkel gemotiveerd afwijken.
§3. Op vraag van het hogeschoolbestuur of zijn gemandateerde(n) of op eigen initiatief heeft de academische raad ten minste overlegbevoegdheid voor wat de onderwijskundige aspecten betreft; met betrekking tot :
- beleid met betrekking tot de besteding en de verdeling van de middelen;
- de vaststelling van de criteria voor de aanwending van de werkingsuitkering, de vaststelling van de begroting en de personeelsformatie;
- de algemene organisatie van de werking van de hogeschool;
- de vaststelling en de wijziging van het huishoudelijk reglement van de hogeschool;
- de vaststelling en de wijziging van het globale beleid inzake onderwijs- en examenregeling;
- de concrete vaststelling en de wijziging van de onderwijs- en examenregeling;
- de deelname aan of de beëindiging van een onderwijsexperiment;
- de vaststelling of de wijziging van het globale nascholingsbeleid van de hogeschool;
- de vaststelling en de wijziging van het beleid met betrekking tot de sociale voorzieningen ten behoeve van de studenten;
- het toezicht op, de evaluatie van en de coördinatie van de opleidingsprogramma’s en de studiebegeleiding;
- de organisatie van het academiejaar met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling;
- overdracht of fusie van de hogeschool.
Huishoudelijk regelement van de Academische Raad
Draagwijdte
Rechten en bevoegdheden - definities (art. 294)
Rechten en bevoegdheden van de academische raad (art. 295)
Samenstelling (art. 290)
Verkiezing
Vergadering
Goedkeuring
Draagwijdte (Huishoudelijk reglement)
Onderhavig reglement regelt de samenstelling en werking van de academische raden van de Katholieke Hogeschool Limburg en dient als bindende leidraad bij de uitoefening van hun bevoegdheden.
De juridische draagkracht van deze regelgeving is terug te vinden in het hogeschooldecreet van 13 juli 1994, meer specifiek in de artikels 289, 290, 291, 292, 293, 294 en 295.
RECHTEN EN BEVOEGDHEDEN - DEFINITIES (art. 294) (Huishoudelijk reglement)
De rechten en bevoegdheden van de academische raad worden als volgt gedefinieerd :
1° informatierecht : het recht op informatie;
2° adviesbevoegdheid : het op vraag van het hogeschoolbestuur of op eigen initiatief verlenen en opstellen van een advies na bespreking in de academische raad;
3° overlegbevoegdheid : het op vraag van het hogeschoolbestuur of zijn gemandateerde(n) of op eigen initiatief nemen van een besluit dat, als het bij consensus wordt genomen, door het hogeschoolbestuur wordt uitgevoerd. Zo geen consensus wordt bereikt, beslist het hogeschoolbestuur. Indien dit besluit echter consequenties inhoudt voor de arbeidsomstandigheden van het personeel, dan dient over dit besluit onderhandeld te worden in het betrokken onderhandelingscomité, vooraleer het door het hogeschoolbestuur kan uitgevoerd worden.
De academische raad kan deze rechten hebben of bevoegdheden uitoefenen door of krachtens het decreet of krachtens een beslissing van het hogeschoolbestuur.
RECHTEN EN BEVOEGDHEDEN VAN DE ACADEMISCHE RAAD (art. 295) (Huishoudelijk reglement)
De academische raad heeft recht op informatie over alle aangelegenheden met betrekking tot de hogeschool.
Op vraag van het hogeschoolbestuur of op eigen initiatief heeft de academische raad ten minste adviesbevoegdheid voor wat de onderwijskundige aspecten betreft, met betrekking tot :
1° veranderingen van de doelstellingen van de hogeschool;
2° uitbreiding, inkrimping of beëindiging van de werkzaamheden van de hogeschool of een belangrijk onderdeel ervan;
3° bouwprojecten;
4° de vaststelling en de wijziging van het beleid inzake interne kwaliteitsbewaking (met betrekking tot de onderwijs- en onderzoeksopdracht);
5° Het onderzoeksbeleid van de hogeschool, het plan tot verwezenlijking van dit beleid en zijn jaarlijkse aanpassingen, waarin hij het beleid van de verschillende departementen coördineert;
6° de programmatie van de hogeschool.
Indien de academische raad een unaniem advies uitbrengt, kan het hogeschoolbestuur hiervan enkel gemotiveerd afwijken.
Deze afwijkende beslissing wordt genotuleerd in het eerstvolgende verslag van de academische raad.
Op vraag van het hogeschoolbestuur of zijn gemandateerde(n) of op eigen initiatief heeft de academische raad ten minste overlegbevoegdheid voor wat de onderwijskundige aspecten betreft, met betrekking tot :
1° beleid met betrekking tot de besteding en de verdeling van de middelen;
2° de vaststelling van de criteria voor de aanwending van de werkingsuitkeringen, de vaststelling van de begroting en de personeelsformatie;
3° de algemene organisatie en de werking van de hogeschool;
4° de vaststelling en de wijziging van het huishoudelijk reglement van de hogeschool;
5° de vaststelling en de wijziging van het globale beleid inzake onderwijs- en examenregeling;
6° de concrete vaststelling en de wijziging van de onderwijs- en examenregeling;
7° de deelname aan of de beëindiging van een onderwijsexperiment
8° de vaststelling of de wijziging van het globale nascholingsbeleid van de hogeschool;
9° de vaststelling en de wijziging van het beleid met betrekking tot de sociale voorzieningen ten behoeve van de studenten;
10° het toezicht op, de evaluatie en de coördinatie van de opleidingsprogramma’s en de studiebegeleiding;
11° de organisatie van het academiejaar met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling;
12° overdracht of fusie van de hogeschool.
SAMENSTELLING (art. 290) (Huishoudelijk reglement)
De academische raad is samengesteld uit :
1° 3/8ste vertegenwoordigers van het hogeschoolbestuur
2° 3/8ste vertegenwoordigers van het personeel, verkozen door en onder alle personeelsleden van de hogeschool. De kandidaten dienen op het ogenblik van hun verkiezing ten minste twee jaar een betrekking in de hogeschool te hebben bekleed;
3° 2/8ste vertegenwoordigers van de studenten van de hogeschool, verkozen door en onder de studenten die voltijds zijn ingeschreven in die hogeschool.
Voor de Katholieke Hogeschool Limburg betekent dit dat de academische raad zal bestaan uit :
1° 12 vertegenwoordigers van het hogeschoolbestuur, waaronder de algemene directeur of zijn plaatsvervanger, alle departementshoofden en de personeelsdirecteur. De overige vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers worden bij aanvang van het academiejaar, tijdens de eerste zitting van de academische raad bekend gemaakt.
2° 12 vertegenwoordigers van het personeel van de hogeschool.
3° 8 vertegenwoordigers van de studenten van de hogeschool.
De vertegenwoordigers van de laatste twee groepen worden als volgt verdeeld over de departementen :
DEPARTEMENT ONDERWIJZEND PERSONEEL STUDENTEN ATP
media & design academie 1 1
Gezondheidszorg 1 1
Handelswetenschappen en bedrijfskunde 1 1
Industriële Wetenschappen en technologie 3 2
Lerarenopleiding 3 2
Sociaal-Agogisch Werk 1 1
Totaal 10 8 2
VERKIEZING (Huishoudelijk reglement)
De verkiezing van de onder 2° en 3° bedoelde leden van de academische raad gebeurt op een wijze zoals bepaald in het verkiezingsreglement, goedgekeurd door de algemene directeur.
Verkiezingsreglement
Duur van een mandaat (art. 291)
Opvolging
Bescherming van de leden (cfr. art 292)
Verkiezingsreglement(Verkiezing)
1.Definities
1.1. Departement : organisatorisch deel van de Katholieke Hogeschool Limburg.
1.2.Personeelsleden : personeelsleden van de Katholieke Hogeschool Limburg die op de datum van de verkiezingen een contractuele verbintenis hebben.
1.3. Personeelsleden van een departement : de personeelsleden die een activiteit uitoefenen binnen het bevoegdheidsdomein van het departement.
1.4. Onderwijzend personeel van een departement : personeelsleden die een onderwijsopdracht uitoefenen behorend tot de onderwijsopdrachten van het departement.
1.5. Studenten van de hogeschool.
De studenten die op datum van de verkiezingen ingeschreven zijn in de hogeschool en voltijds de lessen volgen van een opleiding van het departement
1.6. Studenten van een departement.
De studenten die op datum van de verkiezingen ingeschreven zijn in de hogeschool en voltijds de lessen volgen van een opleiding van het departement
1.7. Kiescollegge : groepering van personene die keisgerechtigd zijn en die kunnen stemmen op kandidaten behorende tot dezelfde groepering.
2. Geldigheidsduur
Dit verkiezingsreglement is enkel van toepassing voor de eerste verkiezingen van de accademische raad en de departementale raden.
3. Betwistingen
In geval van betwistingen over de verkiezingsprocedure of de verkiezingen zal een commissie uitspraak doen.
Deze betwistingscommissie is samengesteld uit :
- de algemeen directeur
-de personeelsdirecteur
-het departemenetshoofd van het betrokken departement
4. Kiescollege
Voor de verkiezingen van de departementale raden en de academische raad worden volgende kiescolleges opgericht.
4.1. Verkiezingen departementale raad ( per departement)
Kiescollege 1 : bestaande uit het onderwijzend personeel van het departement
Kiescollege 2 : bestaande uit de studenten van het departement
4.2. Verkiezingen academische raad
Kiescollege 1 : bestaande uit de personeelsleden van de hogeschool
Kiescollege 2 : bestaande uit de personeelsleden van het opvoedend hulppersoneel, het administratief en technisch personeel.
5. Kiezerslijsten
Voor de kiescolleges 1,3 en 4 worden de kiezerslijsten gebruikt, opgesteld voor de verkiezingen van de DOC's.
Elk personeelslid kan een verzoek indienen om deze lijsten aan te passen.
Dit verzoek dient uiterlijk voor 5 september gericht te worden aan het betrokken departementshoofd.
De betwistingscommissie doet tijdig uitspraak.
Voor deze verkiezingen wordt de lijst van het leidinggevend personeel per departement gevoegd bij het kiescollege 1 en 3.
6. Mandaten academische raad
DEPARTEMENT ONDERWIJZEND PERSONEEL STUDENTEN ATP
media & design academie 1 1
Gezondheiszorg 1 1
Handelswetenschappen en bedrijfskunde 1 1
Industriële Wetenschappen en technologie 3 2
Lerarenopleiding 3 2
Sociaal-agogisch werk 1 1
TOTAAL 10 8 2
6.1. Personeelsafvaardiging.
6.1.1. Voor de academische raad is de helft der mandaten voor het departement industriële wetenschappen en technologie voorzien voor de vertegenwoordigers van de opleidingen 1 cyclus, de andere helft voor de vertegenwoordigers van de opleidingen van 2 cycli.
6.1.2. Voor de academische raad is voor de mandaten van het departement lerarenopleiding telkens één mandaat per vestigingsplaats te begeven.
6.2. Studentenafvaardiging.
6.2.1 Voor het departement industriële wetenschappen en technologie is één mandaat te begeven voor de opleidingen van 1 cyclus en één mandaat voor de opleidingen van 2 cycli.
6.2.2 Voor het departement lerarenopleiding is één mandaat voor de regentaatopleidingen en één mandaat voor de onderwijzers- en kleuterleid(st)eropleiding te begeven.
7. Mandaten departementale raden. DEPARTEMENT ONDERWIJZEND PERSONEEL STUDENTEN ATP
media & design academie 2 1
Gezondheiszorg 4 2
Handelswetenschappen en bedrijfskunde 4 2
Industriële Wetenschappen en technologie 8 4
Lerarenopleiding 6 3
Sociaal-agogisch werk 4 2
7.1. Personeelsafvaardiging
7.1.1. In elke departementale raad is minstens één mandaat per opleioding te begeven.
7.1.2. Voor de departementale raad van de lerarenopleiding is één mandaat voor de onderwijzersopleiding met vestigingsplaats te Hasselt en één mandaat voor de onderwijzersopleiding te Bokrijk voorzien.
7.1.3. Voor de departementale raad van het departement gezondheidszorg worden de mandaten gelijk verdeeld over de twee vestigingsplaatsen.
7.2. Studentenafvaardiging.
7.2.1. Voor het departement gezondheidszorg is één mandaat voor de vestigingsplaats Genk en één mandaat voor de vestigingsplaats Hasslet te begeven.
7.2.2. Voor het departement industriële wetenschappeen en technologie zijn twee mandaten te begeven voor de opleidingen met 2 cycli en 2 mandaten voor de opleidingen van 1 cyclus.
7.2.3. Voor het departement lerarenopleiding is telkens één mandaat te begeven per vestigingsplaats.
8. Kandidaturen
Kandidaturen dienen tijdig en schriftelijk toe te komen bij het departementshoofd. Het departementshoofd stelt tijdig formulieren ter beschikking.
8.1. Ieder personeelslid dat op datum van de verkiezingen ten minste twee jaar een betrekking in de hogeschool heeft bekleed kan zich schriftelijk kandidaat stellen voor de academische en/of zijn departementale raad.
Daarnaast dient iedere kandidaat op datum van de verkiezingen minstens een halve betrekking in de Katholieke Hogeschool Limburg te hebben of een 2/3 onderwijsopdracht uit te oefenen waarvan 1/3 in de hogeschool.
8.1.2. Bij elke kandidatuur van de departementale studentenraad dient telkens vermeld te worden welke opleiding men wenst te vertegenwoordigen.
8.2. Studentenafvaardiging.
Elk verkozen lid van de departementale studentenraad kan zijn kandidatuur stellen voor de departementale raad van zijn departement of voor de academische raad.
9. Verkiezingen
9.1. Indien er in een kiescollege/opleiding, eventueel vestigingsplaats evenveel of minder kandidaten zijn dan mandaten, wordt de verkiezingsprocedure voor deze mandaten stopgezet.
De kandidaten zijn dan automatisch verkozen.
9.1.2. In elk ander geval wordt door het hogeschoolbestuur verkiezingen georganiseerd, per departement en onder verantwoordelijkheid van het departementshoofd.
Het departementshoofd richt daartoe een stembureau op, bestaande uit een voorzitter, een scretaris en een bijzitter.
Hij/zij maakt tijdig dag, plaats en tiidinterval bekend waarop deze verkiezingen georganiseerd zullen worden.
9.1.3. Ieder personeelslid van het kiescollege 1,3 en 4 krijgt een stembiljet warop de kandidaten van zijn college zijn vermeld.
Het personeelslid mag één stem per stembiljet uitbrengen. In elk ander geval wordt het stembiljet ongeldig verklaard door de voorzitter.
9.1.4. Na de verkiezingen openen de leden van het stembureau gezamelijk de stembus en tellen de stemmen.
De kandidaten met de meeste stemmen zijn verkozen in volgorde van hun stemmenaantal, de overige kandidaten zijn plaatsvervangend in volgorde van hun stemmenaantal.
9.1.5. De leden van het stembureau maken een procesverbaal op dat de uitslag van de verkiezingen weergeeft. Het proces-verbaal wordt door de leden gehandtekend. Alle kandidaten hebben het recht dit proces-verbaal in te zien.
9.1.6. De effectieve en plaatsvervangende leden van de raden worden ad valvas bekendgemaakt zonder vermelding van het behaalde stemmenaantal.
9.2. Studentenafvaardiging
9.2.1. De studentenafvaardiging van de academische en departementale raden wordt verkozen door de verkozen leden van de departementale studentenraden.
9.2.2. Ieder effectief lid van de departementale studentenraad heeft één stem
9.2.3. Indien in de departementale studentenraad evenveel of minder kandidaten zijn dan mandaten, wordt de verkiezingsprocedure voor deze mandaten stopgezet. De kandidaten zijn dan automatisch verkozen.
9.2.4. In alle andere gevallan wordt onder toezicht van het departementshoofd of zijn vertegenwoordiger verkiezingen georganiseerd.
9.2.5. De effectieve en plaatsvervangende leden van de raden worden ad valvas bekendgemaakt zonder vermelding van het aantal behaalde stemmenaantal.
De plaatsvervangende leden worden in volgorde van het stemmenaantal meegedeeld.
Duur van een mandaat (art. 291) (Verkiezing)
De vertegenwoordigers van het personeel worden gekozen voor een termijn van vier academiejaren, hun mandaat is vernieuwbaar.
De vertegenwoordigers van de studenten worden verkozen voor een termijn van één academiejaar. Hun mandaat is tweemaal hernieuwbaar
Opvolging (Verkiezing)
Voor elke verkozen vertegenwoordiger van de academische raad worden opvolgers verkozen.
Het verkiezingsprotocol of de eerste vergadering van de academische raad na de verkiezingen legt per verkozen vertegenwoordiger vast wie zijn opvolgers zijn. Per verkozen vertegenwoordiger kunnen er meerdere opvolgers zijn; ze worden gerangschikt volgens het bekomen stemmenaantal. Eenzelfde persoon kan voor meerdere verkozen vertegenwoordigers als opvolger aangeduid worden.
Als een lid zijn mandaat voortijdig beëindigt of niet langer de hoedanigheid bezit op basis waarvan het mandaat is verd, voltooit de opvolger met het hoogste stemmenaantal het vrijgekomen mandaat.
Bij uitputting van de opvolging, kan de academische raad nieuwe verkiezingen organiseren om de opvolgers voor het vrijgekomen mandaat aan te duiden.
Elke kandidaat voor de opvolging moet voldoen aan de voorwaarden vermeld in 4.
Een mandaat dat na verkiezing vacant blijft, kan niet meer opgevuld worden gedurende de normale looptijd van het mandaat.
Bescherming van de leden (cfr. art 292) (Verkiezing)
De personeelsleden die deel uitmaken van de academische raad, genieten van de nodige faciliteiten om hun mandaat naar behoren te vervullen. Zij kunnen voor de daden gesteld in de uitoefening van hun mandaat geen tuchtsanctie oplopen.
De studenten die deel uitmaken van de academische raad genieten de nodige faciliteiten om hun mandaat naar behoren te kunnen vervullen. Zij mogen op geen enklele wijze nadelen ondervinden of sancties krijgen voor de daden gesteld in de uitoefening van hun mandaat.
VERGADERING (Huishoudelijk reglement)
Algemeen
Agenda
Uitnodiging
Beraadslaging en beslissingen
Het verslag
Algemeen (Vergadering)
De academische raad oefent zijn bevoegdheid in zijn hernieuwde samenstelling na de verkiezingen uit vanaf het begin van het academiejaar.
De academische raad vergadert ten minste vier maal per academiejaar.
De eerste gewone vergadering van de nieuwe academische raad wordt zo vlug mogelijk gehouden na het begin van het academiejaar.
Tijdens deze vergadering wordt de kalender van de volgende vergaderingen opgesteld, ten minste voor de duur van het academiejaar.
Alle vergaderingen voorzien in de kalender worden "gewone vergaderingen" genoemd.
De academische raad kan bovendien bijeengeroepen worden op initiatief van de voorzitter en/of de algemeen directeur of op schriftelijk verzoek van ten minste 3 leden van de academische raad en mits vermelding van het te bespreken punt.
De termijn van bijeenroeping van de vergadering bedraagt ten minste twee weken, tenzij de voorzitter een andere overeenkomst heeft gemaakt met de initiatiefnemer(s).
Deze vergaderingen worden "buitengewone vergaderingen" genoemd.
De vergaderingen worden voorgezeten door de algemeen directeur of zijn plaatsvervanger. De voorzitter draagt zorg voor een ordelijk verloop van de vergaderingen.
De academische raad kan beslissen externe personen toe te laten tot de vergadering voor het geven van toelichting of het verstrekken van advies voor de aangelegenheden die ter bespreking zijn.
De voorzitter neemt hiertoe initiatief, desgevallend op verzoek van één of meerdere leden.
Agenda (Vergadering)
De voorzitter stelt de agenda van de vergadering op.
Alle punten die schriftelijk door een lid van de academische raad ten laatste 10 kalenderdagen voor de vergadering aan de voorzitter worden overhandigd, worden door de voorzitter op de agenda geplaatst.
Bij aanvang van de vergadering kan bij unanieme beslissing van de aanwezige leden, een punt met dringend karakter op de agenda worden geplaatst.
Toevoeging van agendapunten op een gewone vergadering is enkel mogelijk indien de meerderheid der leden aanwezig is.
Al die punten die bij aanvang van de vergadering op de agenda zijn opgenomen kunnen tijdens de vergadering behandeld worden.
De rubriek "varia" of "rondvraag" kan al betrekking hebben op mededelingen en het acteren van vragen.
Uitnodiging (Vergadering)
De academische raad kan enkel vergaderen in de loop van het academiejaar met inachtname van de geldende verlof- en vakantieregeling.
De uitnodiging wordt opgesteld door de voorzitter. Zij omvat de agenda en meldt dag, uur en plaats van de vergadering.
De uitnodiging voor de vergaderingen waarvan de hoogdringendheid niet kan worden ingeroepen, wordt in regel ten minste twee weken vóór de vergadering aan de leden verzonden.
Bij de uitnodiging kunnen stukken gevoegd worden die informatie bevatten over de te behandelen onderwerpen.
Voor hoogdringende vergaderingen volstaat een oproep per brief of telefonisch of persoonlijk met vermelding van de te bespreken punten, op zodanige wijze dat de oproep de leden normaal de dag voor de vergadering kan bereiken.
De voorzitter motiveert de hoogdringendheid ter zitting.
Beraadslaging en beslissingen (Vergadering)
Tijdens een gewone vergadering kan de academische raad geldig vergaderen en beslissen, ongeacht het aantal aanwezigen.
Tijdens een buitengewone vergadering kan de academische raad enkel geldig beraadslagen en beslissen, voor zover de meerderheid der leden aanwezig is en elke geleding en elk departement vertegenwoordigd zijn.
Indien de meerderheid der leden niet aanwezig is, kan de voorzitter een nieuwe vergadering met dezelfde agenda samenroepen ten vroegste een week later - met inachtname van de vakantie- en verlofregeling.
Tijdens een buitengewone vergadering in tweede zitting kan geldig beraadslaagd en beslist worden ongeacht het aantal aanwezige leden.
De academische raad beslist over haar adviezen of besluiten enkel na beraadslaging en na het formuleren van een uitdrukkelijk voorstel.
Een beslissing wordt genomen bij consensus.
Indien voor die agendapunten waar de academische raad overlegbevoegdheid heeft, geen consensus bereikt wordt, beslist het hogeschoolbestuur (art.294).
Beslissingen worden genomen bij consensus indien geen der aanwezige stemgerechtigde leden enig voorbehoud maakt noch uitdrukkelijk om een stemming bij handopsteking of om een hoofdelijke stemming verzoekt.
Tot een geheime stemming wordt overgegaan indien ten minste drie stemgerechtigde leden erom verzoeken.
Ieder lid beschikt over één stem. Stemmen bij volmacht is niet mogelijk.
Onmiddellijk na de stemming deelt de voorzitter de uitslag mee.
De uitslagen van alle uitdrukkelijke stemmingen worden in het verslag vermeld.
Het verslag (Vergadering)
De voorzitter draagt er zorg voor dat voor elke vergadering een secretaris wordt aangesteld uit de leden of ook van buiten. Deze aanstelling gebeurt voor een bepaalde afgesproken periode of voor elke vergadering afzonderlijk, bij aanvang van de vergadering.
Van elke vergadering wordt door de secretaris een verslag gemaakt dat aan de leden wordt bezorgd.Het verslag wordt aan alle leden van de AR bezorgd binnen twee weken. Als er na twee weken geen reacties van de leden van de AR zijn binnengekomen, wordt het verslag als goedgekeurd beschouwd en gepubliceerd.
Het goedkeuren van het verslag wordt als agendapunt opgenomen voor de volgende vergadering.
Slechts uitzonderlijk kan dit agendapunt naar een latere vergadering worden verschoven.
Ieder lid kan ter zitting zijn standpunt laten opnemen in het verslag.
Het verslag van de academische raad vermeldt eveneens de beslissingen die genomen werden door het hogeschoolbestuur en die
1° hetzij niet bij consensus zijn beslist tijdens een voorgaande zitting van de academische raad,
2° hetzij bij consensus zijn opgenomen door de academische raad maar mits motivatie anders werden beslist door het hogeschoolbestuur.
De secretaris draagt er zorg voor dat elk verslag gerangschikt wordt in een verslagboek. Dit verslagboek moet door ieder lid van de hogeschool geraadpleegd kunnen worden.
Een copie van het verslag zal goed zichtbaar uitgehangen worden in het mededelingenbord van elk departement en dit gedurende ten minste 14 dagen.
Een exemplaar van het verslag wordt ter informatie aan de voorzitter van de Raad van Beheer toegezonden.
De secretaris krijgt alle materiële faciliteiten en administratieve ondersteuning nodig voor het opstellen, multipliceren en bekendmaking van het verslag.
GOEDKEURING (Huishoudelijk reglement)
Dit reglement werd goedgekeurd door de academische raad op 28 februari 1996. Het kan gewijzigd worden met 3/4 van de stemmen.
2. De departementale raad (Overzicht)
Het decreet op de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap zegt hierover wat volgt :
Art. 296.
Oprichting en samenstelling
Indien de hogeschool meer dan één departement telt, richt het hogeschoolbestuur per departement een departementale raad op. Indien het hogeschoolbestuur bepaalde beslissingsbevoegdheden toekent in een andere deelstructuur of op een ander niveau dan het departement richt het voor deze deelstructuur of voor dit niveau een medezeggenschapsorgaan op dat samengesteld is op analoge wijze als de departementale raad en dat dezelfde bevoegdheden uitoefent.
De departementale raad is als volgt samengesteld :
1° het departementshoofd, dat ambtsbehalve voorzitter is van de departementale raad;
2° de helft vertegenwoordigers van het onderwijzend personeel, verkozen door en onder de leden van het onderwijzend personeel verbonden aan het departement met uitzondering van het departementshoofd. De kandidaten dienen op het ogenblik van hun verkiezing ten minste twee jaar een betrekking in de hogeschool te hebben bekleed;
3.° één vierde vertegenwoordigers van de studenten verkozen door en onder de studenten die verbonden zijn aan het departement en voltijds zijn ingeschreven in die hogeschool;
4° één vierde vertegenwoordigers uit de sociaal-economische en culturele milieus, gecoöpteerd door het departementshoofd en de vertegenwoordigers, bedoeld in 2° en 3°.
Art. 297.
Bescherming van de leden
De personeelsleden die deel uitmaken van de departementale raad, genieten van de nodige faciliteiten om hun mandaat naar behoren te kunnen vervullen. Zij kunnen voor de daden gesteld in de uitoefening van hun mandaat geen tuchtsanctie oplopen.
De studenten die deel uitmaken van de departementale raad genieten van de nodige faciliteiten om hun mandaat naar behoren te kunnen vervullen. Zij mogen op geen enkele wijze nadelen ondervinden of sancties krijgen voor de daden gesteld in de uitoefening van hun mandaat.
Art. 298.
Verkiezingsrerglement en huishoudelijk reglement.
Het hogeschoolbestuur bepaalt het reglement van de departementale raad waarin ten minste zijn opgenomen :
1° de bevoegdheid en de werking van de departementale raad;
2° de wijze van samenstelling en het aantal leden;
3° de duur van het mandaat;
4° de materies waarvoor de departementale raad bevoegd is.
Art.299.
Rechten en bevoegdheden
§ 1. De departementale raad heeft een recht op informatie over alle aangelegenheden met betrekking tot het departement.
§ 2. Op vraag van het hogeschoolbestuur of op eigen initiatief kan de departementale raad adviezen op departementaal niveau verlenen met betrekking tot :
1° de vaststelling van de pedagogische criteria met betrekking tot de besteding van de middelen :
2° de vaststelling van de pedagogische criteria voor de taakverdeling van het personeel;
3° de samenwerkingsakkoorden met derden ;
4° de algemene organisatie en de werking;
5° de programmatie van de opleiding;
6° de programmatie, de organisatie en de evaluatie van het onderzoeksbeleid;
7° de goedkeuring van onderzoeksprojecten;
8° de evaluatie van de onderzoeksactiviteiten;
9° de vormgeving van de interne kwaliteitsbewaking met betrekking tot de onderwijs- en onderzoeksopdracht;
10° de indeling van elke opleiding in opleidingsonderdelen en studiejaren;
11° de uitdrukking van de studieomvang van elke opleiding in studiepunten;
12° de onderwijs- en examenregeling;
13° de vaststelling van de criteria voor het opstellen van de opleidingsprogramma’s en de pedagogische methodes;
14° de evaluatie van het onderwijs;
15° de organisatie en de evaluatie van de studiebegeleiding;
16° de organisatie van en de controle op de examens en de evaluatie van de examenregeling;
17° het beleid inzake de nascholing;
18° de oprichting van vaste of tijdelijke commissies en werkgroepen;
19° de organisatie van de onderwijsactiviteiten.
3. De studentenraad (Overzicht)
Art. 300. Elke hogeschool richt een studentenraad op. De studentenraad bestaat uit ten minste acht en ten hoogste zestien vertegenwoordigers van de studenten, democratisch verkozen door en onder de studenten.
Het hogeschoolbestuur raadpleegt vooraf de studentenraad over alle aangelegenheden die de studenten direct aanbelangen, en inzonderheid over de onderwijs- en examenregeling en de evaluatie - in het kader van de kwaliteitsbewaking - van het onderwijzend personeel door de studenten. De studentenraad is ook bevoegd om hierover uit eigen beweging advies uit te brengen.
Samenstelling van de Studentenraad in de KHLim :
Aangezien sommige leden van de Studentenraad hun mandaat beëindigen na het academiejaar is het niet aangewezen de samenstelling hier weer te geven.
In het begin van dit academiejaar wordt de nieuwe samenstelling zo snel mogelijk ad valvas bekend gemaakt.
De onderhandelingscomités (Overzicht)
Oprichting en bevoegdheden
wettelijke bepalingen (decreet van 13 juli 1994)
Art.301.
Ieder hogeschoolbestuur richt een hogeschoolonderhandelingscomité op. Indien er in de hogeschool meer departementen zijn, wordt in ieder departement een departementaal onderhandelingscomité opgericht. Indien de beslissingsbevoegdheid zich op een ander niveau situeert, richt het hogeschoolbestuur op dit niveau ook een onderhandelingscomité op.
Art. 302. § 1. In de onderhandelingscomités in de gesubsidieerde vrije hogeschool onderhandelen het hogeschoolbestuur en de representatieve vakorganisaties over de aangelegenheden, bedoeld in en krachtens de artikelen 2, 9 en 11 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, met dien verstande dat over dezelfde aangelegenheden niet én in het hogeschoolonderhandelingscomité én op een ander niveau kan worden onderhandeld.
Bovendien bezorgt het hogeschoolbestuur de onderhandelingscomités de volgende inlichtingen, verslagen en bescheiden :
1° algemene informatie met betrekking tot de werking en de organisatie van de hogeschool;
2° het organogram van de hogeschool, met de interne organisatiestructuur, de bestuursstructuur, de verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
3° de statuten van de hogeschool;
4° de begroting;
5° de meerjarenbegroting;
6° in voorkomend geval het financieringsplan bedoeld in artikel 232;
7° de jaarrekening;
8° het jaarverslag
9° een overzicht van de inkomsten van welke aard dan ook;
10° de personeelsformatie;
11° de evolutie van het aantal personeelsleden en de vooruitzichten met betrekking tot de tewerkstelling;
12° de evolutie van de studentenaantallen en van de slaagcijfers per opleiding;
13° de samenwerkingsakkoorden en de samenwerkingsverbanden bedoeld in artikel 283;
14° de fysische inventaris van de onroerende goederen van de hogeschool;
15° een toelichting bij het systeem van enveloppefinanciering en het resultaat hiervan op de hogeschool;
16° de programmatieplannen en rationalisatieplannen met betrekking tot studiegebieden, opleidingen en opties;
17° de inlichtingen met betrekking tot het nascholingsbeleid, het projectmatig wetenschappelijk onderzoek en de maatschappelijke dienstverlening;
18° de sociale voorzieningen voor de studenten;
19° de prioriteiten inzake de uitrusting van de hogeschool;
20° de accomodatiemogelijkheden;
21° de adviezen van de studentenraad, van de academische raad en in voorkomend geval van de departementale raden.
§ 2. De bepalingen van artikel 301 zijn niet van toepassing in de gesubsidieerde vrije hogescholen indien de aangelegenheden bedoeld in § 1 van dit artikel geheel of gedeeltelijk worden behandeld door de ondernemingsraad bedoeld bij of krachtens de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven.
Art.303. Het hogeschoolonderhandelingscomité, respectievelijk het departementaal onderhandelingscomité, bestaan uit gemandateerde vertegenwoordigers van het hogeschoolbestuur, respectievelijk het departementsbestuur en ten minste evenveel afgevaardigden van het personeel. Er zijn evenveel plaatsvervangende als effectieve afgevaardigden. Het aantal effectieve afgevaardigden van het personeel in elk onderhandelingscomité bedraagt ten minste twee en ten hoogste negen.
Beide delegaties kunnen een beroep doen op technici.
Art.304. § 1. De afgevaardigden van het personeel in de onderhandelingscomités in de gesubsidieerde vrije hogescholen worden verkozen op door de representatieve vakorganisaties voorgedragen kandidatenlijsten. In geen geval kan het departementshoofd voorgedragen worden als afgevaardigde van het personeel. Het mandaat van de afgevaardigden bedraagt vier academiejaren.
§ 2. De afgevaardigden van het personeel in de onderhandelingscomités genieten van de nodige faciliteiten om hun mandaat naar behoren te kunnen vervullen. Zij kunnen voor de daden gesteld in de uitoefening van hun mandaat geen tuchtsanctie oplopen.
Comité voor preventie en bescherming op het werk (CPBW) (Overzicht)
Binnen de hogeschool is een CPBW actief. Dit is een bij de arbeidswet verplicht overlegorgaan waarin zowel afgevaardigden van de werknemers als de werkgevers vertegenwoordigd zijn. De vertegenwoordigers van het personeel zijn leden van de erkende vakbonden en hebben in die hoedanigheid bevoegdheid inzake het inwinnen van informatie, het geven van voorafgaand advies en het houden van toezicht op de naleving van het arbeidsreglement.
In het hogeschoolonderhandelingscomité is een akkoord afgesloten om de vroegere bestaande comités te laten samenvloeien in één comité voor de hele hogeschool.