Wie goed kijkt naar kinderen, ziet verbazingwekkende talenten. Ze sprankelen in hun verwondering om en nieuwsgierigheid naar de wereld om hen heen. Vragen over dinosaurussen (“waarom leven deze niet meer?”), over zwaartekracht, en over hoe boten en bruggen in elkaar zitten zijn slechts voorbeelden van dingen die deze kinderen bezig houden en/of waar ze in het onderwijs mee geconfronteerd worden. Kinderen blijken vaak buitengewoon creatief in het oplossen van dit soort vragen, wanneer je hen vraagt zelf een antwoord te bedenken. Verondersteld wordt dat de expressie van deze talenten samen gaat met de ontwikkeling van specifieke cognitieve functies (c.q. denkfuncties). Voorbeelden van dergelijke functies zijn: oriëntatie, aandacht, waarneming, (complex) taalbegrip, concept formatie en redeneren, geheugen, constructieve vaardigheden, stellen van doelen, structureren etc. Kinderen hebben deze cognitieve functies nodig om eerdergenoemde vraagstukken op te lossen, maar ook om er volgens lering uit te trekken voor de toekomst. Kennis vanuit de neurowetenschappen, met betrekking tot de ontwikkeling van cognitieve functies, zou daarom kunnen helpen om het leerproces dat kinderen doormaken zo goed mogelijk te laten verlopen.
Vanuit de literatuur en onze eigen ervaringen weten we dat cognitieve functies verre van uitontwikkeld zijn wanneer we geboren worden. Ook lijken de verschillende aspecten van cognitie (zoals boven genoemd) niet parallel aan elkaar te ontwikkelen. Zo kan een kind van 6 jaar zijn/haar aandacht al goed richten op een object of een persoon, terwijl hetzelfde kind niet in staat is om zelfstandig een agenda/planning bij te houden en/of om zelfstandig lange termijn doelen te stellen. Van deze laatstgenoemde functies weten we dat zij pas in de late adolescentie optimaal beginnen te werken. Deze gefaseerde cognitieve ontwikkeling lijkt samen te gaan met de stapsgewijze ontwikkeling van onze hersenen. Daarnaast blijken kindgebonden variabelen (zoals sekse, gedragspatronen, en IQ) en/of omgevingsgebonden (zoals bijv. stimulering door ouders en/of school, sociaal economische status) variabelen belangrijke voorspellers voor hoe het kind zich cognitief ontwikkelt en als verklaring te dienen voor inter-individuele verschillen in cognitieve ontwikkeling.
Tenslotte verschijnt er toenemend bewijs dat door middel van onderwijs of training de cognitieve functies verbeterd kunnen worden. De toepasbaarheid en het succes van dergelijke gerichte trainingen geven aan dat het mogelijk is om specifieke subjectieve en objectieve verbeteringen in gedrag en/of cognitief functioneren te bewerkstelligen.
Deze bevindingen t.a.v. cognitieve functieontwikkeling en de mogelijkheid tot beïnvloeding hiervan bij schoolgaande kinderen kunnen van grote betekenis zijn voor het reguliere en/of speciale onderwijs. De spreker zal tijdens haar lezing dieper ingaan op de reguliere cognitieve ontwikkeling van schoolgaande kinderen, welke factoren hierop van invloed zijn en welke methoden gehanteerd worden om specifieke cognitieve functies te trainen. Kortom: welke inzichten komen vanuit de nieuwste ontwikkelingen binnen het hersenonderzoek en welke concrete tips kunnen hieruit afgeleid worden voor een verbeterde praktijk?